Suïcidale gedachten bespreekbaar – Géén taboe

Suïcidaliteit is een veelvoorkomend symptoom bij verschillende psychiatrische ziekten, zoals bijvoorbeeld bij somberheidsklachten, angstklachten, problemen in contacten met anderen. Per jaar hebben in Nederland ongeveer 450.000 mensen suïcidale gedachten en gemiddeld sterven per dag vijf mensen door zelfdoding.
Hoewel suïcidale gedachten veel voorkomen, is het kenbaar maken nog vaak taboe. Uit onderzoek blijkt dat mensen met suïcidale gedachten deze niet altijd uit zichzelf ter sprake brengen en dat een meerderheid van deze mensen suïcidaliteit ontkende voorafgaand een suïcide. Dit is schrijnend omdat er inmiddels veel evidentie voor is dat suïcidale gedachten en gedrag effectief kunnen worden behandeld. Het doel van suïcide is immers niet het dood zijn of dood gaan, maar stoppen met denken, voelen, waarnemen, bewust zijn. Mensen proberen zichzelf met suïcide te beschermen tegen verder leven omdat zij dat leven op dat moment als ondraaglijk ervaren en dat perspectief is juist wat tijdens een behandeling kan veranderen.
In de behandeling kan samen met de behandelaar een stabilisatieplan en behandelplan worden opgesteld. Hierbij is er geen sprake van veroordeling, maar juist een transparante en empathische benadering. Er kan in therapie gekeken worden naar de onderliggende drijfveren die iemand tot die wanhoopsdaad kunnen brengen. Tijdens een behandeltraject kunnen cliënt en behandelaar – naast het verminderen van de suïcidaliteit – samen die drijfveren onderzoeken en proberen om de bestaande problemen op te lossen en weer hoop te creëren.
Suïcidale gedachten kennen vaak een wisselend beloop. Het is daarom van belang dat deze gedachten onderwerp van gesprek blijven tijdens de behandeling. Daarmee hopen wij als behandelaars voor cliënten de drempel om pijnlijke, wanhopige gedachten en gevoelens met ons te delen zoveel mogelijk te verlagen

Bronnen:
Ten Have M et al. (2006). Nieuwe gegevens over suïcidaliteit in de bevolking. Suïcidaliteit in de algemene bevolking: gedachten en pogingen. Resultaten van de “Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study” (NEMESIS). Trimbos-instituut , Utrecht.
Kerkhof & van Luyn (2010) Suïcide preventie in de praktijk
Jobes DA. The Collaborative Assessment and Management of Suicidality (CAMS): an evolving evidence- based clinical approach to suicidal risk. Suicidologi 2009 14(1); 3-7 &
Jobes DA. The Collaborative Assessment and Management of Suicidality (CAMS): an evolving evidence- based clinical approach to suicidal risk. Suicide Life Threat Behav. 2012 42(6); 640-53

Fear of missing out

De invloed van de hoeveelheid digitale communicatie en internet multitasking op ons psychisch en fysiek welbevinden.

In het verlengde van ‘nomofobie’ (no mobile phobia, zie de PEP- blog van 1 oktober door collega Anne Peerdeman over de angst niet bereikbaar te zijn via je mobiele telefoon) is er nog een angst die gelinkt is aan het gebruik van sociale media : FoMO, ‘Fear of missing out’. Onderzoekers Przybylski en collega’s (2013) definiëren het als “De vrees, angst en zorgen die iemand kan ervaren wanneer die geen toegang heeft tot informatie over gebeurtenissen, ervaringen en conversaties die zich afspelen in hun sociale kringen“.

Het gebruik van diverse sociale media (Facebook, Instagram, YouTube, Twitter etc) en mobiele communicatie (bellen, Whatsapp, Snapchat, Facetime etc) biedt veel mogelijkheden voor interactie maar kan ook tot stress leiden doordat het aanbod van prikkels veel groter is dan de beschikbare tijd en praktische mogelijkheden om overal van op de hoogte te zijn en deel van uit te maken.

FoMO komt vooral voor bij mensen die veel communiceren via sociale mediakanalen en die vaak checken en online multitasken. Zij ervaren daarbij sociale druk om overal van op de hoogte te zijn en worden erg onrustig wanneer zij niet kunnen toegeven aan de behoefte om te kijken of er iets nieuws gepost is (Clayton et al., 2015, Reinecke et. al., 2016). Vaak gaat FoMO samen met een sombere stemming en ontevredenheid met het eigen leven. Ook zorgt FoMO ervoor dat het checkgedrag regelmatig ten koste gaat van aandacht voor andere zaken: mensen met FoMO geven vaker aan online te zijn tijdens het bijwonen van bijeenkomsten en vaker afgeleid te zijn tijdens het autorijden (Przybylski et al, 2013). Indirect kan FoMO leiden tot een depressie of een burnout. Op deze manier kan een vicieuze cirkel van meer checken in de hoop op een goed gevoel en toename van klachten ontstaan die soms lastig te doorbreken is.

Herken je FoMO bij jezelf? Voel je je opgejaagd en gespannen en merk je dat je steeds vaker sociale media checkt of meerdere dingen tegelijk probeert te doen op het internet? Probeer dan eens te minderen door jezelf alleen op vaste tijden toe te staan sociale media te gebruiken of probeer eens een weekend zonder internet door te brengen. Mocht je erg belemmerd worden door je angst en je gedrag en er zelf niet meer uitkomen, dan kan een psycholoog, zoals bijvoorbeeld bij PEP je helpen om weer grip te krijgen op je gedrag en de gevoelens van angst en spanning te verminderen.

Wat is er nou aan de hand?

Soms is het niet helemaal duidelijk waar de problemen waar u mee zit precies vandaan komen. Dan kan de behandelaar besluiten om een psychodiagnostisch onderzoek te laten doen. Dit onderzoek is erop gericht om beter te begrijpen waar uw problemen vandaan komen en levert waardevolle informatie op voor u en uw therapeut, voor de behandeling en voor uw dagelijks leven.

Bij PEP Psychologen worden er diverse soorten psychodiagnostisch onderzoeken gedaan. Die kunnen meer inzicht geven in de intelligentie, persoonlijkheid, denk- of gedragsproblemen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een test om te kijken of er sprake is van ADHD, een test voor autisme of een IQ-test. Ook kan worden onderzocht welke eigenschappen u heeft en hoe die samenhangen met uw problemen, bijvoorbeeld waarom u steeds zo somber bent of in conflict raakt met uw omgeving. Daarbij komt ook aan bod hoe u omgaat met moeilijke situaties en wat uw overtuigingen zijn over uzelf, de wereld en anderen om u heen.

Als de behandelaar onderzoek wil laten doen, wordt dat eerst met u besproken. Als u hier aan mee wilt werken, wordt u uitgenodigd door de onderzoeker. Een onderzoek neemt gemiddeld twee dagdelen in beslag. Na afloop worden de resultaten uitgebreid met u besproken en krijgt u de mogelijkheid om hier vragen over te stellen. Ook doet de onderzoeker, indien gewenst, een advies voor de verdere behandeling, waar u en uw therapeut weer mee verder kunnen.

Verminderd seksueel verlangen bij depressie

Een onderwerp wat vaak onbesproken blijft bij depressieve klachten, door huisarts, psycholoog en psychiater, is verminderd seksueel verlangen. Het is één van de symptomen van depressie; zo rapporteert meer dan 40% van de depressieve mannen minder zin om te vrijen (Kennedy, Dickens, Eisfeld & Bagby, 1999 en Lankveld & Grotjohann, 2000). Daarnaast is verminderd verlangen een belangrijke bijwerking van veel antidepressiva, met name tricyclische antidepressiva, SSRI’s en Venlafaxine (Schweitzer & Maguire, 2009).

Het verminderde verlangen van iemand met een depressie kan veel relationele spanningen opleveren als er geen aandacht is voor het verschil in verlangen in seksueel contact. Vaak voelt de persoon met minder zin in seks zich schuldig, terwijl de partner zich juist machteloos voelt. De valkuil is dat de persoon die zich schuldig voelt gaat instemmen om ‘gezeur’ te verminderen en dat de ander gaat overtuigen of druk gaat uitoefenen. Vaak blijkt pas bij een verschil in verlangen dat partners niet gewend zijn om open met elkaar te praten over hun wensen en verlangens. Terwijl juist dát – open communiceren – de sleutel is om er samen uit te komen. Soms is dit echter niet genoeg, en is het stel in een dynamiek terecht gekomen die niet helpend is voor het herstel van de depressie. Het is dan belangrijk om (met partner) bij de huisarts, psychiater of één van onze psychologen dit onderwerp bespreekbaar te maken. Vergeet ook niet dat de verschillende antidepressiva in verschillende mate seksuele bijwerkingen hebben. Een arts kan daar meer informatie over geven.

Bron: Seksuele disfuncties (diagnostiek en behandeling); 2010, van Lankveld, J., ter Kuile, M., Leusink, P.

Bron: Kennedy S.H, Dickens S.E., Eisfeld B.S., Bagby R.M. Sexual dysfunction before antidepressant therapy in major depression. J Affect Disord 1999; 56 (2-3): 201-208

Bron: Lankveld J.J.D.M. van, Grotjohann Y. Psychiatric comorbidity in heterosexual couples with sexual dysfunction assessed with the Composite International Diagnostic Interview. Arch Sex Behav 2000; 29 (5): 479-498.

Bron: Schweitzer I., Maguire K, Ng C. Sexual side-effects of contemporary antidepressants: review. Aust N Z J Psychiatry 2009; 43 (9): 795-808.

Angst de baas

Een spin, een kleine ruimte of een vliegtuig: voor sommigen bronnen van intense angst. Fobieën (Grieks: phóbos = angst, vrees) kunnen in het dagelijks leven behoorlijk in de weg zitten. Naast de meer bekende en gemakkelijk vanuit de evolutie verklaarbare (want ter voorkoming van gevaar) angsten ontstaan nieuwe fobieën naarmate de technologie zich ontwikkelt. Zo wordt vanuit verschillende hoeken gesproken over de opkomst van nomofobie. Bragazzi en Del Pluente (2014) pleiten zelfs voor het opnemen van de fobie in het nieuwe handboek voor psychologen. Zij beschrijven nomofobie (afgeleid van No Mobile Phobia) als “een stoornis van de hedendaagse digitale en virtuele samenleving” die volgens hen bestaat uit angst en nervositeit door niet in contact te zijn met een mobiele telefoon of een computer oftewel een pathologische angst om contact met technologie te verliezen. In onderzoek door Cheever et al. (2014) werden drie groepen die verschilden in de mate van hun mobiele telefoongebruik met elkaar vergeleken en het bleek dat deelnemers die veel van hun telefoon gebruik maakten significant meer angst ervaarden wanneer hun telefoon werd weg genomen dan de deelnemers die minder vaak op hun telefoon zaten (Cheever, Rosen, Mark Carrier en Chavez, 2014).
Angstklachten kunnen naast een fobie allerlei vormen aannemen en met verscheidene omstandigheden samenhangen, met soms klachten als slaapproblemen en depressiviteit tot gevolg. Ervaart u dergelijke klachten dan kunnen onze GZ-psychologen, psychotherapeuten en klinisch psychologen wellicht iets voor u betekenen!

Bron: Out of sight is not out of mind: The impact of restricting wireless mobile device use on anxiety levels among low, moderate and high users; 2014, Cheever, N.A., Rosen, L.D., Mark Carrier, L., & Chavez, A. Computers in Human Behavior, Vol 37, 290-297.

Bron: A proposal for including nomophobia in the new DSM-V; 2014, Bragazzi, N.L., & Del Puente, G. Psychology Research and Behavior Management, Vol 7, 155-160.

Leren leven met chronische pijn

Eén op de vijf volwassenen in Europa heeft in zijn leven langdurig last van pijnklachten (Veehof et. Al., 2010). Indien u chronisch (zes maanden of langer) last heeft van pijnklachten en u kunt geen leefbare manier vinden om hiermee om te gaan, bent u bij PEP Psychologen wellicht aan het goede adres. Pijnklachten kunnen uw kwaliteit van leven en de richting van uw leven nogal beïnvloeden. Artsen zeggen vaak “U moet er mee leren leven”. Maar hoe doe je dat?! Wilt u ondanks uw pijnklachten toch een voldaan en bevredigend bestaan leiden? Middels Acceptance and Commitment Therapy (ACT), Cognitieve gedragstherapie (CGT) en/of Mindfulness kan gekeken worden hoe u anders met uw pijnklachten kan omgaan om op die manier weer een waardevol, betekenisvol en zo aangenaam mogelijk leven te kunnen leiden. Leer weer regie te nemen over uw leven, met professionele hulp van één van onze psychologen en krijg weer meer plezier in uw leven!

Bron: Leven met Pijn (de kunst van het aanvaarden); 2010, Veehof, M.M., Schreurs, K.M.G., Hulsbergen, M.L. & Bohlmeijer, E.T.

Bron: Pijn zonder strijd (over stoppen met vechten en zin in je leven krijgen); 2010 Spaans, J.

Bron: De pijn de baas; 2000 Winter, F.